Bravo-a

Voertuigcontrole motor (BRAVO-A)

  • B

    Banden

    - profiel minimaal 1 millimeter / advies vervangen 2 millimeter

    - controleren op steentjes, metalen deeltjes enz

    - Controleer op ouderdom scheuren of barsten in de band

    – Het slijtagepatroon: dit moet regelmatig zijn. Onregelmatig patroon heeft een oorzaak (b.v. slechte schokdempers)

    – Voldoende bandenspanning (controleren voor aanvang rit)

    - ventieldop aanwezig (bescherming voor ventiel)

  • R

    Remmen

    – onderdelen van de reminrichting mogen geen inwendige of uitwendige lekkage of beschadiging vertonen

    – remslangen mogen niet ernstig zijn misvormd, niet langs andere voertuigdelen schuren en geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is

    – wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt

    – de remvoering van wielen met een schijfrem mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen

    – als de motor een trommelrem heeft die wordt bediend met een remkabel, moet de bestuurder de kabel controleren op rafels, zowel bij de hendel als onderaan bij de bevestiging aan de trommel

    – het rempedaal en de remhendel mogen niet zo’n slag maken, dat het pedaal of de hendel tot een aanslag kunnen worden ingetrapt of ingedrukt

    – in de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Het zakken van het remvloeistofniveau hoeft niet te betekenen dat de reminrichting defect is. Meestal houdt het verband met het slijten van de remblokjes. Bij verlaagd remvloeistofniveau moet de motorrijder wel opletten of er geen lekkages zijn. Het zonder meer bijvullen van remvloeistof lost niets op; niet doen dus.

  • A

    Aandrijving

    – tijdens bij het gebruik rekt de ketting uit; hij wordt dus langer. Daarom moet de ketting regelmatig worden gespannen.

    – de kettingspanning wordt gemeten in het midden tussen beide tandwielen aan de onderste omloop van de ketting. Op deze plaats mag de ketting enige speling vertonen (zie instructieboekje).

    – kettingen hebben regelmatig onderhoud nodig. Zeker na een lange rit in de regen moet een ketting gesmeerd te worden. Hoe en waarmee is terug te vinden in het instructieboekje.

    – bij het smeren van de ketting moet ervoor gezorgd worden dat het vet niet op de band terecht komt. Hierdoor kunnen gevaarlijke situaties ontstaan.

    – cardanaandrijving controleren op olielekkage.

    – een getande aandrijfriem heeft over het algemeen geen bijzonder onderhoud nodig. De spanning dient voldoende te zijn om te voorkomen dat de riem over de tanden van de riemschijf glijdt.

  • V

    Verlichting

    – groot licht

    – dimlicht

    – richtingaanwijzers

    – achterlicht

    – kentekenplaatverlichting

    – remlicht, dat moet werken bij de bediening van de voor- en achterrem

  • O

    Olie

    – als de motor onvoldoende met olie is gevuld, kan deze vastlopen. Daardoor ontstaat een zeer gevaarlijke situatie.

    – in het algemeen moet het oliepeil gecontroleerd worden bij een ‘koude motor’ of bij een warme motor die tenminste enkele minuten geleden is uitgezet. Er zijn echter motoren waarbij het oliepeil gecontroleerd moet worden nádat de motor even heeft gedraaid (Dry-Sump smering). Bij het peilen van het olieniveau moet de motor conform het instructieboekje zijn geplaatst.

    – het oliepeil wordt gecontroleerd met een peilstok. Ook is het mogelijk dat een venstertje aanwezig is, waardoor te zien is of er nog voldoende olie in de motor aanwezig is.

    – na het bijvullen van olie mag het niveau niet boven ‘maximum’ komen

  • a

    Algemeen

    – de accu van de motorfiets moet deugdelijk zijn bevestigd en de bedrading moet goed zijn geïsoleerd

    – hij moet de keerringen van de voorvering (telescoop) op eventuele lekkage controleren

    – bij de meeste motoren is de voorspanning van de achterwielvering aan te passen aan de belasting van de motorfiets. Dit wordt aanbevolen bij het rijden met ‘zware belasting’ (bagage en/of passagier), en wel door de vering ‘op te schroeven’.

    – controle brandstof (hoeveelheid, vulopening en stand brandstofkraan)

    – indien de motor is voorzien van een vloeistofkoelsysteem, moet de bestuurder wekelijks controleren of er nog voldoende koelvloeistof in het reservoir aanwezig is. Op het reservoir is het minimale en maximale niveau met merkstreepjes aangeduid.

    – de motorrijder moet voorts bekend te zijn met de positie/ functie van de diverse bedieningsorganen, controlelampjes, meters en schakelaars, voor zover die hiervoor nog niet aan de orde zijn geweest (zoals noodstopknop, temperatuurmeter, groot licht controlelampje, enzovoort).